IS DE ANDER ER EIGENLIJK WEL?
Ik geef woorden aan wat me raakt, nu ik hier tegenover jou zit. Langzaam zak ik meer in mijn lichaam. Ik geef nog meer woorden aan wat me nog tegenhoudt om in het waarnemen zelf te zakken. Als een moderne biecht. Alles woorden geven aan wat me tegenhoudt helemaal hier te zijn met jou.

Zolang ik iets ‘vind’ van wat ik ervaar, hou ik het zakken in het waarnemen zelf tegen. En ‘ben’ ik er nog niet helemaal. Maar doordat alles er mag zijn en gedeeld wordt, komt er licht en lucht bij en lost het ‘er iets van vinden’ langzaam op. Het is op een gegeven moment niet meer nodig om er iets van te vinden. Omdat het dan is zoals ervaren en gezien wordt. Vandaar de term ‘waar’nemen. Het heeft iets absoluuts. Dit in tegenstelling tot de relativerende houding van de mind. En precies op dat moment dat ik er niets meer van hoef te vinden, wordt het ‘er zijn’ minder persoonlijk. Het er zijn wordt een samenvallen van, voelen en zien, omdat ik er niet meer iets van vind.

Het persoonsgebonden denken valt stil. Ik val samen met het waarnemen zelf. Ik los er in op. Ik kijk naar jou en plotseling zie ik dat jij er helemaal niet bent. Ik zie mij in jou. Ik zie bij jou, wat zich in mijn bewustzijn en lichaam afdrukt.

En precies daar zit de crux. Want mijn mind denkt wel dat er een wereld daarbuiten is. Dat er een ander is die mij iets aandoet of die ik nodig heb: “Ja, maar dit en dat is mij aangedaan…”.

Ik kan tot mijn dood, de buitenwereld verwijten dat ik er niet mag zijn. Dat ik niet in mijn kracht mag staan. Dat ik niet in mijn eigen licht mag staan. Dat ik door haar niet gelukkig kan en mag zijn.

Maar de ander en de buitenwereld is er op een bepaald niveau helemaal niet. Alles wat ik meemaak, maak ik mee omdat de buitenwereld iets in mij in beweging brengt. Maar ik ervaar de wereld via mij. Door mij heen.

Dus zolang ik de buitenwereld verantwoordelijk houd voor mijn geluk, blijf ik ongelukkig. Blijf ik naar geluk jagen. Waarom? Omdat het niet aan de buitenwereld is om mij gelukkig te maken. Het is juist aan mij om mijn geluk niet in de weg te staan.

Mijn natuurlijke oerstaat is rust, leegte en verstilde of juist wilde extase. Ik ben van nature op een stille manier gelukkig. Het is aan mij om steeds weer te onderzoeken wat maakt dat ik me ongelukkig voel. Wat maakt dat ik mijn geluksgevoel tegenhoud.

Nee, nee… Niet als verwijt. Dat is namelijk weer de zelfde beweging van ‘het zou anders moeten zijn’. Nee, puur vanuit onderzoek, vanuit nieuwsgierigheid. Wat maakt nou dat ik me ongelukkig of ontevreden maak? Wat maakt dat ik niet in stilte of wilde extase ben? Wat levert mij dat op? Wat komt er nu dan niet aan bod? Welk gevoel hou ik nu onder controle of wil ik nu niet voelen?❤️🙏